| |
 |
De geschiedenis van de fotocamera begint in 1816 wanneer Joseph Nicéphore Niépce een foto maakt vanuit een raam. Hij doet dit door middel van een plaat met lichtgevoelig materiaal in een camera obscura, ook wel donkere kamer genoemd. Hij stelde deze plaat bloot aan licht, hierdoor werd een negatief beeld gevormd dat niet gefixeerd werd. Zodra er dus buiten de camera obscura licht bijkwam, verwaagde het beeld weer.
Camera obscura
Een camera obscura is een donkere, verduisterde, ruimte waarbij in één van de wanden een klein gaatje is aangebracht. Dit werd later ook wel de lens genoemd. Het licht dat door het gat de kamer in valt plaats een afbeelding van de buitenwereld op de wand die er direct tegenover ligt. Deze afbeelding staat op zijn kop. Dit kan met spiegels worden opgelost.
Voor 1800 werd de camera obscura ook wel gebruikt als kermisattractie omdat je in zo’n ruimte ongezien de buitenwereld kon bespieden. In het Victoriaanse tijdperk (1837 tot 1901) werden cameras obscuras gebouwd ter grootte van een huis. Hierin kon tegen betaling een blik op de omgeving worden geworpen. In het Zuid-Afrikaanse Grahamstad is dit nog steeds mogelijk, net als in het Spaanse Cadiz en het Schotse Edinburg.
Eerste foto
De eerste echte foto maakte Niépce in 1826 op een plaat die was bedekt met asfalt. Hij had hiervoor een belichtingstijd van maar liefst 8 uur nodig. Doordat het zolang duurde om de foto te maken, had hij ook een dubbele schaduw op de foto. De zon was immers in de tussentijd gedraaid. Niépce maakte de foto via het dakraam. De beelden die op deze manier gemaakt werden konden, naast zwart en wit, ook grijstinten tonen. |
|
|
|
|
|
|